Wat als? een gelijk speelveld SDE+

Een kans voor ‘lokaal voor lokaal’.
Een kans voor het landschap!

Stel:  subsidie voor kleinschalig verwarmen op hout is gelijk aan de SDE+[1] voor bijvoorbeeld meestoken in kolencentrales [3]  of grootschalig verwarmen op hout >500 kW [2]. – Dat zou een enorme kans zijn voor ons bos en landschap in Nederland. Voorwaarde is dan wel dat de biobrandstof hoogwaardiger toepassingen niet verdringt en voortkomt uit aantoonbaar duurzaam beheer of uit reststromen. Lokaal hout voor lokale energie past goed in de ontwikkeling van coöperaties voor duurzaam landschap- en bosbeheer en lokale energiecoöperaties. In deze blog mijn visie.

Lokaal hout voor lokale energie kan tot nog toe zonder subsidie in weinig gevallen uit. Daardoor wordt deze vorm van duurzame energieopwekking – met overigens kwalitatief een groter perspectief dan kwantitatief  – nog weinig toegepast. Alle parameters moeten de goede kant op staan voor een casus met verdienruimte. Dat is mijn ervaring met het vertalen in getallen van Hout naar Warmte ketens. Een volgende blog zal gaan over succesfactoren voor deze verdienruimte.
Subsidie op de investering of op de geproduceerde energie zorgt ervoor dat de eigenaar van een installatie meer voor de biobrandstof kan betalen. Voor meer verdienruimte in de keten. Dit is een reden dat onze houtige biomassa nu vaak over de grens naar Duitsland, Denemarken of België verdwijnt. De extra transportkosten ten spijt. Of dat het na pelletisering en/of torrefractie wordt meegestookt in onze kolencentrales.
Een gelijk speelveld voor lokale biomassa voor lokale energieopwekking zou zeer wenselijk zijn. In de eerste plaats omdat het eerlijk is, omdat het klimaatrendement groter is en omdat het kans geeft voor lokale werkgelegenheid en duurzaam bos- en landschapsonderhoud.

Daarbij staan kolencentrales staan ter discussie: per geleverde hoeveel energie is er relatief veel CO2 emissie, slecht voor het klimaat dus en zijn er vraagtekens rondom de duurzaamheid van de geïmporteerde biomassapellets uit VS en Canada die worden meegestookt. Daarover straks meer.

Een gelijk speelveld
Een scenario: de subsidie is bij de lokale houtketel even hoog als bij grootschalig verwarmen op hout >500 kW en <5MW. Namelijk 5 €/GJ per geproduceerde hoeveelheid warmte in 2015  [3] . Bos- en landschapsbeheerders zouden daar blij van worden. Ze moeten zelfs oppassen dat ze niet te blij worden. En zorgen dat ze duurzaam blij blijven. Met een rendement van een ‘hout naar warmte’-ketel van ca 90 % betekent dit, dat er ca. 41 €/ton of 14 €/m3 G30 [4] verse snippers meer verdienruimte in de keten. In theorie kan dit aan duurzaam bos- en landschapsbeheer kunnen worden gespendeerd. Een agrarisch natuurvereniging komt daarmee een heel eind om de houtwallen en de elzensingels, etc. te onderhouden: dit kost nu zo’n 70 tot 90 €/ton vers volgens bijgehouden gegevens van agrarische natuurverenigingen. Het zogenaamde hooghangende fruit: vaak nu niet geoogst vanwege de kosten.

Coöperaties voor duurzaam landschap- en bosbeheer
Met een actieve benadering kunnen coöperaties voor duurzaam landschap- en bosbeheer ervoor zorgen dat er meer verdienruimte terugvloeit naar het beheer. Er is dan wel een keten met verdienruimte nodig. Lokale coöperaties, zoals BiomasSalland of Stoken op Streekhout werken of willen gaan werken met dit concept.

BIOMASSALLAND-Landschapsonderhoud
In BiomasSalland draagt verwarmen op hout door samenwerking in de keten bij aan duurzaam landschapsonderhoud.

Het resultaat is dat er meer ZZP’ers en agrariërs in transitie actief zijn in landschapsonderhoud, dus meer werkgelegenheid. Door de lokale markt vloeien sowieso meer euro’s terug naar de lokale economie. Voor vertrouwen van de warmteconsument  is het ook hier nodig dat het hout komt uit duurzaam beheerd bos- of landschap, en stimuleert. Op lokaal niveau is de relatie tussen duurzaam beheer en energieopwekking makkelijker aan te tonen.

Duurzaam beheer
Duurzaam beheer is boseigenaren en –beheerders niet vreemd. Dat is hun belang, hun werk en doorgaans hun passie. Kijk bijvoorbeeld bij de Pro Silva beweging. Een van de vroege duurzaamheidsdenkers – Hans Carl von Carlowitz 1645-1714 – komt niet voor niets uit de bosbouw.

duurzaamheid-carl-von-carlowitz
Hans Carl von Carlowitz (1645 – 1714) . Denken over duurzaamheid heeft een lange traditie in de bosbouw.

Hans Carl von Carlowitz schreef Sylvicultura oeconomica, oder haußwirthliche Nachricht und Naturmäßige Anweisung zur wilden Baum-Zucht (1713). Hij beschreef als eerste het begrip duurzaamheid in de bosbouw. Zijn familie was al generaties actief in het bosbeheer in het Saksische Ertsgebergte. De mijnen en smelterijen hadden veel hout nodig en de bevolking groeide.  Er was grote houtschaarste. In zijn boek vatte von Carlowitz de verzamelde bosbouwkennis die in de 30 jarige oorlog was weggezakt samen en vulde die aan met ervaringen uit Europa. Na zijn studie rechts- en staatswetenschap en nog meer had Hans Carl immers Europa rondgereisd.

Oogst uit de jaarlijkse bijgroei[5] in bossen is heel goed te combineren is met natuurdoelen en recreatie. Oogst stimuleert zelfs de bijgroei, waardoor het bos meer koolstof vastlegt.   Wil je ervaren en weten hoe bos groeit en hoe je bos duurzaam kunt beheren, volg een cursus over bosbeheer. Ik kan je een aantal van mijn collega’s die deze geven van harte aanbevelen: heel leuk. Je kijkt nooit meer hetzelfde naar het bos.
“Wie een tuin heeft, weet het. Kleine boompjes worden groot. En wil je tuin niet helemaal dichtgroeien, moet er af en toe een struik uit of flink worden gesnoeid. Er is bijgroei, productie!“

Garanties voor biomassa uit duurzaam beheer.
Toch is duurzaam beheer van en ‘accountability’ voor het bos niet overal vanzelfsprekend. Door bijvoorbeeld grote korte termijn belangen, of als er een exploitant is die weinig belang heeft bij duurzaam beheer, als de eigenaar onduidelijk is of weinig betrokken. Komt de biomassa van om de hoek, dan kun je zelf of bekende deskundigen zien hoe het bos of de houtwal groeit.
Biomassa uit bos dat volgens FSC en PEFC maatstaven beheerd wordt is aantoonbaar duurzaam. Komt de biomassa van verder weg dan biedt dat zekerheid. FSC en PEFC vinden hun oorsprong bij milieubeweging, respectievelijk organisaties van boseigenaren. De bosbouw – althans die in Europa – kent een lange traditie in duurzaamheidsdenken.
Helaas komt de biomassa voor meestoken in kolencentrales nog niet of nauwelijks uit FSC of PEFC gecertificeerde bossen.
SDE+ gaat uit van andere duurzaamheidscriteria, ontstaan vanuit de behoefte van de subsidie, lees energiesector. Bij gebrek aan gecertificeerde bosarealen volgens deze  criteria wordt vooralsnog uitgegaan van een ‘groeipad’ waarbij nog niet volledig aan de criteria hoeft te worden voldaan. Dus wees waakzaam als het bos en het klimaat je lief is!

Zoveel Nederlands hout is er niet
Mijn visie is dat voor duurzame en flexibele energievoorziening de toekomst meer ligt in wind, zon, water, geothermie, warmtepompen en … dan in Biomassa. Toch is er zeker een plaats voor biomassa, mits deze echt voortkomt uit duurzaam beheer en het hoogwaardiger toepassingen niet verdringt.
Voor Nederland ‘lokaal voor lokaal’ zijn de mogelijkheden beperkt. In een potentieelstudie van Probos (2014) blijkt dat in 2014 duurzaam beheer van natuur, bos- en landschap, en zagerijresten binnen en buiten de bebouwde 16 Petajoule oplevert en er een potentie is van 26 Petajoule in 2020. Op een totaal van ca. 3000 PJ (in 2014) primair energieverbruik is dat niet zoveel. We komen dan tussen de 0,5 en 1 % van ons totaal energieverbruik uit. Om dat aandeel op te krikken moet er nog aardig wat aan energiebesparing gedaan worden ;-). Kwantitatief zijn de mogelijkheden om energie uit biomassa uit het Nederlandse bos en landschap bescheiden. Kwalitatief zeker interessant.

Irma Corten,
Zilverberg advies, onafhankelijk adviseur voor een fraai en functioneel landschap

vertaalt van ‘hout naar warmte’ en andere ketens in getallen, berekent verdienruimte
ondersteunt initiatieven in het maken van strategische keuzes in de keten en het organiseren van een duurzame keten
werkt met Freijaman BV aan een kosten-opbrengsten module bij het web-based managementprogramma voor beheer en onderhoud van landschap BOOMapp
kennis van bos- en landschapsbeheer
volgt actief de ontwikkelingen in de duurzame energie en Biobased grondstof

 

————–
Zorgpuntje:
De marktprijs, principes en de lagere productiekosten –chippen is duur-  zorgen er in Nederland nu nog voor dat het hout nu voor de meest hoogwaardige toepassing wordt ingezet.  Dus zaaghout eerst.  Met subsidie voor verwarmen op hout beïnvloed je het speelveld in het voordeel van biomassa boven hoogwaardiger toepassingen.

[1] De SDE+ subsidie heeft tot doel om duurzame energie te stimuleren.

[2] In 2015 waren er voor het eerst SDE+ mogelijkheden voor verwarmen op biomassa vanaf een opgesteld vermogen van 500 kW tot 5 MW. Hiervoor was de SDE+ bijdrage 5  €/GJ. Voor installatie tot 500 kW bestaat tot op heden geen SDE+.

[3] Bij SDE+ is de subsidie bij WKK gelijk voor een nuttig aangewende kWh warmte en een kWh elektriciteit. Voor <10 MWe is dit in fase 1:
12  €/GJ.  Voor bij- en meestook bij kolen geldt voor de nuttig aangewende warmte afkomstig van hernieuwbare brandstof een subsidie van 15 % van het subsidie bedrag voor elektriciteit : voor fase 1 in 2015, is dit 15 % van 7,5 €/GJ.

[4] 90 % van  45  respectievelijk 16 = ca. 41 €/ton of 14 €/m3 G30 verse snippers.

[5] In m3 hout/ha/jaar

Disclaimer: Hoewel deze tekst met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is geschreven, kunnen aan deze tekst geen rechten worden ontleend aan of aanspraak worden gemaakt op de juistheid  van de inhoud.

Een gedachte over “Wat als? een gelijk speelveld SDE+”

  1. Nawoord. ISDE nieuwe kansen ‘lokaal voor lokaal’, echter nog lang geen gelijk speelveld.
    In 2016 is een investeringssubsidie voor kleinschalige warmtetoepassingen (ISDE) mogelijk. Naast warmtepompen, zonneboilers etc. vallen daar ook pelletkachels en houtketels < 500 kW onder. Goed nieuws! Een stap op weg naar een gelijk speelveld voor 'lokaal voor lokaal'. Ten opzichte van grootschalige biomassa voor warmte toepassingen en bij- en meestook bij kolen. Echter nog maar 'stapje'. Helaas. Ik heb voor een tiental bestaande casussen uitgerekend met onze simulatiemodellen wat de extra ISDE-subsidie betekent voor de kostprijs van de opgewekte warmte. De investeringssubsidie (ISDE) is bijvoorbeeld voor houtsnipperketels 80 euro per kW opgesteld vermogen. Deze investeringssubsidie levert bij een aflostermijn van 10 jaar voor de doorgerekende casussen een voordeel op van: 1 à 2 euro per opgewekte GJ warmte. De subsidie voor grootschalige warmteopties in de SDE+ 5 euro per opgewekte GJ warmte. Mijn conclusie: een gelijk speelveld is er nog niet. Bedenk wat de consequenties zijn voor de kansen 'lokaal voor lokaal'. Omgerekend leidt de subsidie tot 25 à 33 euro per ton verse biomassa meer verdienruimte in de keten bij de grootschalige toepassingen, vergeleken met kleine. Het wordt nu heel verleidelijke de schaarse Nederlandse duurzame biomassa uit bos- en landschap met de vrachtwagen af te voeren naar de paar grote ketels. Belangenbehartigers 'lokaal voor lokaal': @Agrarischenatuurverenigingen, @lokale energiecoöperaties, @VBNE, @FPG, @NBKL voor een gelijk speelveld is nog meer lobby nodig!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *